• Principes
DE PROLOOG VAN GUITRANCOURT[1]
door Jacques-Alain Miller
15 augustus 1988 

Jacques-Alain Miller schreef deze tekst naar aanleiding van het oprichten van de Klinische Secties [Sections Cliniques] van Brussel en Barcelona. Hij verduidelijkt er wat onder een Klinische Sectie moet begrepen worden én wat niet.

Nergens ter wereld bestaat iets als een diploma ‘psychoanalyticus’. Dat is niet toevallig, of omdat men daar niet aan zou gedacht hebben. Maar dat heeft te maken met het wezen zelf van de psychoanalyse. 

Men kan zich gewoonweg niet inbeelden via welke ‘competentietest’ iemand psychoanalyticus zou kunnen worden. De uitoefening van de psychoanalyse is immers een strikt private aangelegenheid, waarbij de ‘patiënt’ zijn meest intieme gedachtenspinsels aan een psychoanalyticus toevertrouwt. Daarop antwoordt deze dan met een operatie die op het zogenaamde ‘onbewuste’ slaat en die men de ‘interpretatie’ noemt – en dus zou men er eventueel kunnen aan denken om psychoanalytici op hun interpretaties te testen … Die interpretatie is immers niet hun alleenrecht: die speelt bij elke tekstkritiek, bij elke ontcijfering van inscripties. Cruciaal verschil is echter wel dat het freudiaanse onbewuste slechts in een spreekrelatie  tot stand komt en daarbuiten niet voor erkenning vatbaar is  – waardoor de psychoanalytische interpretatie dan ook niet an sich steekhoudend kan zijn, maar enkel en alleen via de effecten ervan, onvoorzienbare effecten, bij degene die haar te horen krijgt, en dat altijd in het kader van die spreekrelatie. Er is geen ontkomen aan die spreekrelatie.
 

Gevolg is dan ook dat enkel en alleen de analysant, op zijn eentje, kan getuigen of zijn analyticus ‘het kan’, dus competent is. Probleem daarbij is wel dat die getuigenis onvermijdelijk vertekend is, doordat in die spreekrelatie een overdracht tot stand komt. En dus is de enige ontvankelijke getuigenis, de enige getuigenis die enige zekerheid over het analytisch werk kan bieden, die van een analysant die zich, ‘na overdracht’, toch nog in dienst van de psychoanalytische zaak wil stellen. 

Centraal in het onderwijs in de psychoanalyse staat dus wat ik ‘de getuigenis van de analysant’ noem: dit biedt immers een antwoord op de vraag wat er van die wezenlijk private ervaring die een psychoanalyse is, toch nog naar het publiek toe kan overgebracht worden. 
Met de ‘passe’ (1967) heeft Lacan deze getuigenis van de analysant een vorm gegeven, en met het ‘matheem’[2](1974) heeft hij het onderwijs in de psychoanalyse zijn ideaal gegeven. Tussen beide polen is een hele gradatie mogelijk. Enerzijds baadt de getuigenis van én in de passe nog helemaal in de intimiteit van het subject – en die wordt dan ook aan een beperkte kring, binnen de psychoanalytische groepering zelf, toevertrouwd. Anderzijds mikt het bewijsgerichte onderwijs van het matheem op iedereen – en dat is waarin de psychoanalyse raakpunten met de universiteit heeft. In Frankrijk heeft men ondertussen al veertien jaar ervaring met dat onderwijs in de psychoanalyse; in België werd dat via het freudiaanse Veld [Champ freudien] geïntroduceerd; en vanaf januari volgend jaar zal dat de vorm van een Klinische Sectie aannemen.  

Laat ik nu eens klaarheid scheppen over wat het onderwijs in de psychoanalyse binnen die Klinische Sectie wel en niet behelst.

  • Dat onderwijs is universitair: Het is systematisch en gradueel, de verantwoordelijken ervoor beschikken over de nodige kwalificaties, en het leidt tot  diploma’s.

  • Dat onderwijs machtigt niet tot de uitoefening van de psychoanalyse: Freuds aanbeveling dat een psychoanalyticus zelf in analyse moet geweest zijn, nam Lacan niet alleen ter harte, maar die heeft hij meteen ook geradicaliseerd in de stelling dat een psychoanalyse uiteindelijk geen ander einddoel dan de productie van een psychoanalyticus kent. De ervaring is dat wie zich niet aan deze ethiek houdt, dat telkens opnieuw duur te staan komt.

  • Dat onderwijs volgt altijd een lacaniaanse oriëntatie.Daarbij is het dus om het even of dat nu in Parijs, Brussel of Barcelona plaatsgrijpt, of dat nu aan een privaat dan wel aan een overheidsinitiatief beantwoordt.

  • Degenen die dat onderwijs volgen noemen we liever ‘deelnemers’ dan ‘studenten’. Het initiatief moet immers hoofdzakelijk van hen komen, ze worden dus niet geforceerd om iets te produceren. Maar hun werk wordt wel begeleid en geëvalueerd.


Degenen die voor dat onderwijs, dat in het freudiaanse Veld geen voorgaande kent, verantwoordelijkheid willen opnemen, zijn aan de strengste eisen onderworpen. En dat is geen paradox. Het weten mag dan wel autoriteit uit zijn coherentie putten, maar waarheid vindt het maar in het onbewuste. Op het vlak van dat weten verkeert niemand in de positie om te zeggen “ik weet” – wat meteen betekent dat dit soort onderwijs altijd op een onuitgegeven uitwerking [élaboration], hoe bescheiden ook, moet berusten. 

Zowel Spanje als België beginnen nu met het klinisch luik van dat onderwijs. 

De psychoanalytische kliniek vormt geen wetenschap, het is geen weten dat te bewijzen valt, maar een empirisch weten, een weten dat niet losstaat van het weten in de ideeëngeschiedenis. In ons onderwijs van die kliniek komen we niet alleen tegemoet aan de tekortkomingen van een psychiatrie die de ontwikkelingen van de chemie probeert bij te houden en zo alleen maar de schatten uit haar eigen klassiek verleden vergeet; maar met het matheem van de hysterie introduceren wij in die kliniek ook een element van zekerheid.

Het volgende luik in die Klinische Sectie moet de ‘presentatie van patiënten’ [présentation de malades] worden. En daarna komt nog het gebied dat men in Frankrijk de études approfondies noemt, waarbij men uiteindelijk een doctoraat moet schrijven.[3]
 
We gaan dus tewerk zoals Lacan het vroeger wou: stap voor stap. 
 
[2] Van het Griekse mathema, ‘wat te leren valt’. 
[3] Het vormingsaanbod aan het departement ‘psychoanalyse’ van de Université Paris 8 is opgesplitst in twee domeinen: 1) ‘Enseignements fondamentaux’, toegankelijk voor een ruim publiek 2) ‘Etudes approfondies’, voor mensen met klinische ervaring. Via dit tweede domein kan men sinds 2006 een master in de Psychoanalyse, optie ‘onderzoek’ bekomen. Deze master, vroeger gekend als DEA (diplôme d’études approfondies), geldt eveneens als een verplichte voorbereiding op een doctoraat in de psychoanalyse. Meer info over het vormingsaanbod van het departement ‘psychoanalyse’ van de Université Paris 8: http://www.ufr-sepf.univ-paris8.fr/?-Psychanalyse- .(nvdr)
Freud